Armoedegrens

Statistische grenzen kennen in armoedeonderzoek de grootste navolging; de armoedegrens wordt dan gebaseerd op één of meerdere statistische criteria, bijvoorbeeld 60% van het mediane of gemiddelde equivalent gezinsinkomen.

Dit laat vergelijkingen vanuit een longitudinaal en internationaal vergelijkend perspectief toe en wordt daarom zowel in wetenschappelijk onderzoek als bij de overheid vaak gebruikt.
Nadelen zijn echter dat het een arbitraire grens is zonder echte basis in de sociale realiteit.

Volgens de EU-SILC–enquête van 2017 wordt 16% van de Belgische bevolking geconfronteerd met monetaire armoede; 5% van de bevolking leeft in ernstige materiële deprivatie en 13,5% van de Belgische bevolking jonger dan 60 jaar leeft in een huishouden met een zeer lage werkintensiteit. Gecombineerd betekent dit dat de waarde van de Europese armoede-indicator ‘risico op armoede of sociale uitsluiting’ in België 20% van de bevolking bedraagt (1 Belg op 5).

We zien hierbij opvallende regionale verschillen tussen Vlaanderen, Brussel en Wallonië. Op basis van de indicator monetaire armoede bedraagt in 2015 het armoederisico in Vlaanderen 10,5% tegenover 20% in Wallonië. Voor het Brussels Hoofdstedelijk Gewest ligt dit cijfer met 30% nog een stuk hoger.